Boeken
Pakken & Piercings
Zodra jongeren de eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten, blijkt vaak dat ze zich anders gedragen dan werkgevers zouden willen. De jongeren zelf zien het probleem dikwijls niet. Zij komen van Venus, de werkgevers van Mars. Er lijkt sprake van een omgekeerde generatiekloof. Jongeren hebben vaak een positiever beeld van de oudere generatie dan andersom. Hoe zijn die verschillen tussen volwassen en jongeren ontstaan? En vallen ze te overbruggen?
Groetjes bianca
Een werkgever ontving het volgende mailbericht:
‘Wil heel graag stage komen lopen al shet ken ben 15 jaar en zit op de max de wit school ik wil heel graga met muzken en geluid werke dus ik d8 dat dit wel een goeie winkel was om stage te kunnen lopen ????? hoor nog wel van jullie groetjes bianca’
Vijf minuten later kwam een ongeduldig vervolg binnen:
‘Heb een vraagje wil heel graag stage bij jullie willen komen lopen als het ken ben 15 jaar en wil heer graag met muziek en geluid werken dus ik weet niet of ik nog what te horen krijg van jullie maar jah, groetjes bianca’
‘Kippenkont’
Sinds de tweede helft van de jaren vijftig kent Nederland aparte jeugdsubculturen. Daarvoor hadden jongeren geen eigen geld en niet genoeg vrije tijd om er een eigen levensstijl op na te houden. Wie bij een subcultuur wil horen, kleedt zich op een bepaalde manier, neemt een bepaalde lichaamshouding aan en kiest voor een eigen taalgebruik. De eersten die daarmee begonnen, waren de kuiven en de artistiekelingen. De kuiven waren laagopgeleide, vechtlustige rock ’n rollers. Ze kamden hun haar naar achteren in een ‘kippenkont’. Ze moesten niets hebben van de beter opgeleide artistiekelingen, vaak kunstenaars en schrijvers, die van jazz hielden, zich nonchalant in het zwart kleedden en zich maatschappijkritisch opstelden.
In alle subculturen die erna kwamen, zijn deze verschillen terug te zien. Sommige jongerenculturen draaiden net als die van de kuiven vooral om de lol. Bij andere speelde heel duidelijk de behoefte zich af te zetten tegen volwassenen en was soms sprake van felle maatschappijkritiek. De kuiven en de artistiekelingen werden in de jaren zestig opgevolgd door de kikkers en de soulkikkers, beide groepen waren ongecompliceerde muziekliefhebbers. Hun tijdgenoten de provo’s vormden een ideologische beweging van kunstenaars en (ex)artistiekelingen, die zich tegen de heersende normen keerden. Ze waren anarchistisch, antimaterialistisch, propageerden vrije seks, druggebruik en kleedden zich zo slordig mogelijk. Hun opvolgers, de hippies, namen veel van het provogedachtegoed over, maar waren zachtmoediger van toon. Ze riepen Amsterdam in 1967 uit tot ‘Magies Sentrum’ en begonnen aan een Summer of Love.
Nihilisme
De economische crisis begin jaren zeventig leidde tot een minder optimistische sfeer. Er kwamen hardrockbands bij met teksten over (zelf)moord, oorlog en geweld. Ook de punkers stelden zich nihilistisch op met hun zwart geverfde, rechtovereind staande haren, hun piercings en hun veiligheidspelden. Uit verzet tegen de woningnood begonnen ze leegstaande panden te kraken. Daarnaast kwam de disco op: uiterst dansbare muziek die een glamoureuze houding en een kledingstijl vol glitters vereiste. Disco sprak vooral de feestbeesten aan.
De jaren tachtig vormden de periode van het no-nonsense denken. Iedereen moest carrière maken en zijn eigen persoonlijkheid ontwikkelen. Er kwamen steeds meer jongerenculturen bij. De punk viel uiteen in een aantal subgroepen, de house (computermuziek) kwam op en met name zwarte jongeren ontdekten de rapteksten van de hiphoppers. In de jaren negentig zette de versplintering door. De houseliefhebbers verdeelden zich in techno-trance, gabbers en jungle-liefhebbers.
Geen verzet
De huidige subculturen zetten zich niet meer heftig af tegen de wereld van de volwassenen. Dat hebben ze ook niet nodig, betogen de auteurs van de studie Leefwerelden van jongeren. De meeste jongeren groeien op in een onderhandelingshuishouden. Ze kunnen met hun ouders over veel zaken overleggen en krijgen volop ruimte zich te ontwikkelen. Het merendeel van de jongeren heeft een goede band met hun ouders. Bovendien doen veel ouders mee aan de jeugdcultuur: ze gaan naar dezelfde pop- en dansfestivals als hun kinderen.
Wel is er bij sommige groepen sprake van een antischoolcultuur. In de jaren zeventig zetten vooral jongens uit de lagere sociale milieus zich af tegen hoofdarbeid en schools presteren. Ze wilden zo snel mogelijk aan het werk en identificeerden zich met de arbeiders die het zware werk deden. Tegenwoordig zijn het straatculturen die zich antischools opstellen. Het gaat vooral om jongeren in grote steden die zichzelf gedrag aanleren dat in strijd is met de heersende normen en waarden.‘Gezag wordt gewantrouwd, school en hard werken zijn voor sissies, de leerkracht is een loser.’
Sommige jongeren raken zo ondergedompeld in deze cultuur dat ze echt niet meer weten hoe het wel hoort. En dat is een belangrijk verschil met vroegere subculturen. Die konden zo ludiek provoceren, juist omdat ze de geldende normen haarfijn aanvoelden.
Bronnen: K. de Leeuw e.a., Jong! Jongerencultuur en stijl in Nederland 1950-2000, 2000 en J. Hermes, P. Naber, A. Dieleman, Leefwerelden van jongeren. Thuis, school, media en populaire cultuur, 2007.