Mirjam Janssen
Tekst en Onderzoek

Onder Water

Eerst was er het ritme van de ruitenwissers: ‘woesj, woesj.’ Mama reed, Sara en ik vlochten het haar van onze poppen. Toen begonnen we te zingen. Vader Jacob, De uil zat in de olmen en het vrolijkste lied dat ik kende: De Wielewaal. Mama deed één stem, Sara en ik de andere. Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal, En horen wij die muzikant, Dan is zomer weer in ’t land, Dudeljo klinkt zijn lied, Dudeljo en anders niet! Mama had een krachtige, hoge stem en bewoog haar schouders op de maat terwijl ze stuurde. Sara zei ‘wiedewaal’. Maar volgens mama gaf dat niet. Zo reden we over de dijk langs het kanaal. Het water was zwart en wij zongen van dudeljo en wiedewaal.

De zoon van de hotelhouder kijkt steeds naar mij. Bij de receptie, aan het diner en nu weer op het terras. Ik ben twee keer zo oud. Ik concentreer me op de lezing die ik morgen moet houden. Af en toe dwaalt mijn blik over het meer, een zuigend gat.
‘Mai faddur told me joe ar ee arkeolozjist.’ Opeens staat hij naast me. Hij heeft te veel fluor gehad als kind: op zijn tanden zitten witte vlekken. In de opening van zijn bloes hangt een kruis tegen zijn platte, haarloze borst. Ik knik. Daarna zwijgt hij. Net als ik iets wil opmerken over de mooie omgeving, zegt hij: ‘Wilt u met mij gaan zwemmen?’ Hij glimlacht naar een vriendje dat op afstand tegen een boom leunt. Het is twintig jaar geleden dat een jongen mij probeerde te versieren terwijl zijn maat verderop wachtte. Toen begreep ik al niet waarom ze dat zo aanpakten.
‘Ik zwem niet,’ zeg ik in het Frans. ‘Ik zwem nooit.’
‘Het is erg interessant,’ houdt hij aan.
‘Ik moet werken,’ antwoord ik. Ik denk aan mijn moeder alleen op haar flat. In haar boekenkast staan al mijn publicaties gesorteerd op kleur. 
De jongen loopt weg. Met een klap schuift hij een lege stoel bij een andere tafel aan.

Ik blader door de congresmap en lees wat de organisatie over mij heeft geschreven: ‘Mevrouw Prof. Dr. A.E.M. Pepping geeft een feministische kijk op de Cro-Magnon Mens.

Tot nu toe werd aangenomen dat dit prehistorische volk vooral jachtdieren vereerde zoals blijkt uit rotsschilderingen van mammoeten, beren en runderen in de beroemde grotten van Lascaux. Prof. Pepping zal aantonen dat de Cro-Magnons er een godinnencultus opnahielden.’ Ik neem mijn lezing door en probeer te begrijpen wat me bezielde toen ik mijn congresbijdrage inzond. Ik heb een vage schildering van een borst gevonden in een uithoek van een grot. Het zou ook een mislukte paardenkop kunnen zijn.
De wind viel onze auto aan. ‘Nee,’ riep mama en zette zich schrap. De wind was sterker en duwde ons het kanaal in. Na de klap werd het stil en donker. Toen kwam het water binnen. Eerst met kleine stralen, maar al gauw vond het nieuwe wegen. Krachtig en snel stroomde het binnen. ‘Doe je schoenen uit,’ gilde mama. ‘We gaan zwemmen.’ Ze draaide het raam open. Het water stortte zich naar binnen, de auto kantelde.
De zaal vult zich met congresgangers die in hun bank gaan zitten kletsen of hun consumptiebonnen tellen. Als de voorzitter het woord neemt en mij aankondigt, vallen ze langzaam stil. Ik laat de dia’s zien en houd mijn verhaal. Dan begint het eerste geschuif, dat aangroeit tot ongeïnteresseerd gekuch, smalend gesis. Mijn toehoorders maken tijdens de vragenronde veel opmerkingen over details en technische kwesties. Ik krijg een lauw applaus. In de pauze komt alleen de Russische collega met eczeem bij me zitten.

Sara kreeg haar gordel niet los. Ik sloeg om me heen, zwom tegen het dak, de achterbank, trapte tegen iets zachts, maaide de poppen weg, een plastic zak kleefde aan mijn arm, mijn trui leek van lood, haren slierten voor mijn ogen. Mama pakte me beet, ik wilde de andere kant uit, spartelde tegen, maar ze duwde me tegen de stroom in. Naar buiten, omhoog. Spreid, sluit, spreid, sluit. Precies zoals ik had geleerd.

Aan het ontbijt is de jongen er weer. Hij vult het brood aan het buffet bij en staart naar me. Dan vermant hij zich en komt naar me toe. ‘I ‘ev picture,’ zegt hij. Voor ik hem kan afwijzen, legt hij een polaroid van een grotschildering voor me neer: twee grote borsten met onmiskenbare tepels.
‘Waar heb je die foto gemaakt?’ vraag ik.
Hij wijst naar het meer. ‘In een grot.’
Het vriendje is nergens te zien, ik frunnik aan mijn horlogebandje.
‘Wie heeft die schildering gemaakt?’
‘Hier een tekening van iemand die zit te poepen.’ Nonchalant gooit hij nog een foto op tafel. Zwarte lijnen verbeelden een gehurkte vrouw. Een barende vrouw, een vruchtbaarheidsgodin.
‘Dit wil ik zien.’
‘De ingang is moeilijk te bereiken,’ zegt hij.
‘Maakt me niet uit, in mijn beroep ben ik wel wat gewend.’
‘In dit geval zult u moeten zwemmen.’
‘Ik zwem niet.’
‘Het is maar een klein stukje. De ingang van de grot zit aan het meer.’
‘We nemen een boot.’
‘Daarvoor zit de ingang te ver verscholen. U zult moeten zwemmen.’
‘Waarom kom je bij mij en niet bij een andere archeoloog?’
‘U ziet er niet uit als een professor,’ zegt hij en bloost.

Ik heb een badpak geleend van de bejaarde dame in de kamer naast mij. De voorgevormde cups zijn ingedeukt, aderen schijnen door de witte huid van mijn bovenbenen. Thierry kijkt strak voor zich uit. Zwikkend over de keienbodem loop ik naast hem het meer in. Het water is bijtend koud. Als het tot mijn buik komt, laat ik me drijven. Spreid, sluit. Het gaat zo langzaam, dat Thierry voor komt te liggen, maar ik kan het nog wel. We zwemmen om een rots heen. Ik krijg kramp in mijn voet. Spreid, sluit. ‘Vanaf hier moeten we een eindje onder water,’ zegt Thierry. Hij legt uit wat ik moet doen. Ik luister niet, ik wil terug. Voor ik iets heb kunnen zeggen, is Thierry verdwenen. Ik neem een hap lucht en kijk onder water. Hij heeft op me gewacht en schijnt met een lantaarn op een gat in de rots ter grootte van een fietswiel. Ik schud nee en ga naar boven. Thierry volgt me. ‘Ik blijf bij u, ik zal u niet in de steek laten,’ zegt hij met een hand op zijn hart. Weer geeft hij instructies die ik niet hoor. Hij telt af. Nog een diepe ademteug en ik ga mee.

Ik trek mezelf de tunnel in en loop verder op mijn handen. Ik voel harige waterplanten, zachte modder, een punt prikt in mijn rug, kleine stenen verschuiven. Ik hoor het bloed in mijn oren. Voor me zie ik de zaklamp flitsen. Opeens is Thierry verdwenen. Ik bots tegen de rotswand, de gang loopt dood, ik kan niet draaien, ik moet achteruit terug, mijn borstkas staat op knappen, ik sla om me heen, tegen steen, tegen zand, tegen niets. Tegen niets! Boven me gaat de tunnel verder. Ik zie het schijnsel van de zaklamp weer. Ik draai me omhoog. De tunnel is hier nog smaller, mijn heupen passen er nauwelijks door. Ik trek me voort,  probeer me af te zetten met mijn voeten, de rots snijdt in mijn bovenbenen. Een hand pakt me vast, ik zit klem, dit gaat niet, ik wil omlaag, de hand spant zich en trekt me omhoog. ‘Sara,’ roep ik als ik bovenkom.
Mijn nagels zijn gescheurd, mijn bovenbenen bloeden. Thierry slaat een handdoek om me heen. ‘Welkom in mijn grot,’ zegt hij en steekt kaarsen aan. ‘Wilt u iets drinken?’ Hij zet een steelpan op een primusbrander.
‘Woon je hier?’
‘Alleen als ik ruzie met mijn ouders heb.’
Ik trek de handdoek strakker. De grot is beschilderd met vrouwen. Ronde, weelderige vrouwen. Vrouwen die baren, vrouwen die zogen, vrouwen die luieren, vrouwen met paarden, vrouwen met vruchten. Vrouwen in alle formaten in woeste vegen neergezet in zwart, rood, geel en bruin. ‘Hetzelfde als Lascaux,’ zeg ik en veeg voorzichtig over een wand. 
‘Hij hield van vrouwen denkt u niet?’ zegt Thierry en komt dicht bij me staan.
‘Hij aanbad ze,’ antwoord ik.

Ik leg het bakpak gauw te weken in de wastafel van mijn hotelkamer. Daarna bel ik mijn moeder.
‘Ik heb de vondst van de eeuw gedaan, mam.’
‘Dat is fijn lieverd.’
‘Ik heb het bewijs gevonden dat de Cro-Magnons godinnen vereerden.’
‘De Cro-Magnons?’ Aan haar stem hoor ik dat ze iets anders aan het doen is, waarschijnlijk          
plukt ze dorre bladeren van haar kamerplanten. Mijn moeder is erg gesteld op haar kamerplanten.
‘Dat prehistorische volk waarop ik ben gepromoveerd.’ 
‘O ja.’ Ze voelt of de potgrond nog vochtig genoeg is.
‘Ik ben door een tunnel naar een verborgen grot gezwommen.’
Ze zegt niets, maar ik merk dat ze nu luistert. 
‘Het was griezelig, maar …’
‘Kun je me volgende week woensdag naar de pedicure brengen?’ vraagt ze.
Ik hang op en kijk uit het raam naar het meer, een ongenaakbare spiegel in de zon.