Betty toetste de beveiligingscode in en wachtte tot de glazen toegangsdeuren van het tehuis wegschoven. In de hal zaten enkele patiënten. Een vrouw met vet haar en een scheve bril was op een goudkleurig geverfde stoel geklommen, de troon voor de bewoners. Ze bewoog niet en kreunde een beetje. ‘Maar mevrouw Vos dat is toch geen toilet,’ riep een verpleegster. Betty zwaaide naar de verpleegster die herkennend terugknikte. Altijd weer een opluchting dat ze niet voor een bewoner werd aangezien.
Op de vloer van de gemeenschappelijke ruimte lag zeil, de formicatafels waren gedekt met kleedjes van gestreken crêpepapier. De planten waren van plastic sinds iemand van de echte had gegeten. In het midden van de zaal zaten bewoners in rolstoel met toeters rond een tafel met taart. De activiteitenbegeleidster zong langzaam en duidelijk door een microfoon: ‘lang zal ze leven.’ Sommigen doorstonden de feestvreugde slapend, anderen murmelden mee. ‘Hoera!’ riep de begeleidster, ‘hoera! hoera!’ Een dikke verpleegster hielp de jarige haar armen in de lucht steken, haar borsten klotsten onder haar jurk.
Op een bank achteraf zat Max, hij zag eruit als een vogel die tegen het raam was gevlogen. Hij probeerde een ongeschilde banaan te eten. Betty ging naast hem zitten en wilde helpen. Max verborg de banaan onder zijn oksel.
‘Kom nou,’ zei ze. Hij gaf toe. Ze pelde de banaan en keek hoe hij die in te grote happen naar binnenwerkte. Zijn nagels waren lang en er zat vuil onder.
‘Zij leve hoog, zij leve hoog,’ klonk het door de versterker.
‘Uw man is onrustig vandaag,’ zei een jonge verpleegster tegen Betty. Ze had grote ogen en een kleine kin, een gezicht als een komma.
‘Heeft u een schaartje?’ vroeg Betty. ‘Dan kan ik zijn nagels knippen.’
‘Ada heeft vakantie dus we mochten hem niet aanraken,’ verontschuldigde het meisje. ‘Ada is uw lieveling, hè?’ zei ze hard tegen Max, hoewel hij niet doof was. Ik ben zijn lieveling, dacht Betty.
Opeens riep Max boos: ‘Ze maken hun huiswerk niet meer.
'Toen Max nog goed bij zijn hoofd was, ontvluchtte hij verjaardagen ook al. Hij had een hekel aan rituele bijeenkomsten. Het enige ritueel waarin hij ooit had toegestemd was zijn huwelijk met Betty, maar onder voorwaarde dat het geen nagespeeld sprookje werd. Hoe groter het feest, hoe duurder de jurk, hoe meer duivels moesten worden uitgedreven, vond hij. Ware liefde kon zonder publiek. Ze trouwden op een woensdag, dan was het gratis. Ze droegen hun dagelijkse kleren en hadden de familie thuis gelaten. De ambtenaar van de burgerlijke stand probeerde met kwinkslagen vol te houden dat het een normale bruiloft betrof, maar hield daarmee op toen hij de blik van Max zag.
Max zocht een zuiverheid die anderen weinig ruimte liet. Zijn leerlingen op het Stedelijk Gymnasium waren de eerste jaren bang voor hem. Betty kon zich voorstellen hoe hij voor de klas stond. Exploderend vanwege een grammaticale fout - ‘een vergrijp tegen de logica!’ –, zijn haar opstuivend als helmgras. Eindeloos liet hij hen metrisch lezen, de maat dirigerend met zijn pen.
Met de hogere klassen behandelde hij zijn lievelingspassages uit de klassieke literatuur. Hij vertelde dan over Argos, de hond van Odysseus die twintig jaar tussen het vuilnis lag te wachten op zijn baas. Of hij las voor over de oudjes Philemon en Baucis die de goden verzochten samen dood te gaan: ‘Op een dag zag Baucis dat Philemon blaadjes kreeg en de oude Philemon zag hetzelfde bij Baucis,’ vertaalde Max, ‘ze hadden net tijd elkaar vaarwel te zeggen voor ze in een boom veranderden. Nog altijd staan op die plaats een eik en een linde.’ Terwijl hij zijn boek dichtsloeg, zei hij zijn neus ophalend: ‘Trouw, jongens, het draait in het leven om trouw.’ En daarna gaf hij ongenadig veel huiswerk op.
Zelf zat Betty het liefst op haar werkkamer boven haar vertalingen van de klassieken. Woordenboeken en aantekeningen lagen uitgespreid om haar heen als geologische lagen. In een kuil van de stoel sliep de ruigharige tekkel Euripides, die meeluisterde wanneer zij haar teksten hardop terug las. ‘Vind je het mooi?’ vroeg ze dan aan hem en hij kwispelde met z’n hele lijf. Als de hond doodging, kochten ze een nieuwe en gaven hem dezelfde naam. Drie tekkels lang zouden ze bij elkaar zijn.
Het was alsof ze één hoofd hadden. Ze konden een gesprek weken later weer oppakken, of het nu om een vertaling of de aanschaf van een stofzuiger ging. Naarmate ze ouder werden wisten ze soms niet meer welke herinnering aan wie van beiden toebehoorde. Toch waren ze de laatsten om te zeggen dat ze een gelukkig huwelijk hadden. Dat vond Max van eenzelfde truttigheid als een verjaardagskalender op de wc. Misschien was het toch een soort bijgeloof. Wat je niet benoemt kan niemand je afpakken.
Vlak voor Max zijn pensionering ging het mis. Ze waren aan winkelen, hij had zich met tegenzin laten meeslepen. Aanvankelijk dacht Betty dat hij hardnekkig niet in het maat van de draaiorgelmuziek in de winkelpromenade probeerde te lopen. Tot ze zijn gezicht zag: verkrampt met lege ogen. Toen viel hij om.
De hersenbloeding had het begin van die andere ziekte onthuld. Eerst deed Max alsof er niets aan de hand was, alsof hij zou kunnen winnen op wilskracht. Hij stond erop alle dagelijkse dingen te blijven doen. Hij hielp met afwassen en legde het bestek in de ijskast. Zodra de telefoon ging, nam hij die gauw aan. ‘Kunt u duidelijker spreken?’ riep hij op een keer tegen de persoon aan de andere kant. ‘Ik versta u niet, de lijn is niet goed.’ De beller probeerde kennelijk beter zijn best te doen, maar Max verloor zijn geduld. ‘De telefoon is kapot.’ Voor hij de verbinding verbrak, zag Betty dat hij de hoorn ondersteboven hield.
Het lukte hem al snel niet meer de krant te lezen. Dat kwam omdat een man op zolder vreselijk zat te bonken, vertelde hij. Voor de vorm klom Betty de trap op. ‘Ik heb hem weggejaagd,’ zei ze tegen Max. Dat hielp even.
Op een ochtend werd Betty wakker en merkte dat Max naar haar lag te kijken.
‘Ik word gek,’ zei hij.
‘Op den duur,’ erkende Betty, die tegen hem aankroop. Ze kuste de stoppels op zijn wang.
‘Misschien word ik gevaarlijk,’ zei Max.
‘Een brave man zou ik maar saai vinden,’ antwoordde Betty met het gevoel dat ze een spijker had ingeslikt. Ze streelde de blonde haren op zijn onderarm.
Na enige tijd zei hij: ‘ik ben bang.’
Ze drukte zich met al haar kracht tegen hem aan. Hij heeft een worm in zijn hoofd, dacht ze. Wat gebeurt er met hem als een worm ook aan mijn verstand gaat knagen?
Pas toen hij niet meer kon lopen, stond Betty toe dat ze hem opnamen in het tehuis.
Ze mocht alvast in de kamer van de verpleeghuisarts wachten: een sobere ruimte met lamellen voor de ramen en een pak Kleenex op tafel. Aan de muur hing een grote zwart-wit foto van een bewoonster die grijnzend haar armen spreidde. ‘Zie haar dansen, zie haar lachen, zie haar genieten in haar eigen wereld,’ had iemand erbij geschreven.
De arts kwam snel binnenlopen en sloot de deur achter zich. ‘Nog één moment,’ zei hij en noteerde iets in een dossier. Ze schatte hem begin veertig, hij had gave rode wangen.
Toen draaide hij zijn stoel naar haar toe en zei: ‘U komt voor uw man.’
‘Gisteren probeerde hij me te bijten,’ zei Betty.
‘Misschien zit hij ergens mee,’ antwoordde de arts.
‘Hij is diep ongelukkig,’ zei Betty.
‘Hoe weet u dat?’ antwoordde de arts. Aan de toon waarop hij sprak, merkte ze dat hij een gesprekstechniek begon toe te passen.
‘Hij ziet er slecht uit en hij huilt heel snel.’
‘Hij eet anders nog met smaak en laatst heeft hij piano voor ons gespeeld.’
‘Max kan helemaal geen piano spelen,’ zei Betty.
‘Dat wist hij aardig te verbergen,’ lachte de arts. Op zijn telefoon ging een lampje branden. ‘We kunnen hem met een psycholoog laten praten,’ ging hij verder terwijl hij een knop indrukte.
‘Ik denk niet dat mijn man kan uitleggen waar hij mee zit.’
‘Naar is het, vindt u niet?’ zei de arts opeens en keek haar indringend aan. ‘Zeker voor mensen van niveau is het akelig als ze hun partner zien afglijden. Een jaargenoot van mij heeft nog les gehad van uw man. Ik heb zelf atheneum, maar als ik weer zou moeten kiezen…’
‘Dat helpt Max niet meer,’ zei Betty kortaf.
‘We zullen de medicatie opvoeren,’ suste de arts en pakte alvast zijn blocnote.
Betty haalde diep adem en zei: ‘Ik denk niet dat hij zo door wil gaan.’
‘Dat moet hij zelf aangeven,’ zei de dokter.
Haar bloed werd ijskoud. ‘Maar dat kan hij niet,’ zei ze.
‘En daarom kunnen we niets voor hem doen.’
‘Ik wil de man die hij vroeger was beschermen tegen de man die hij nu is,’ hield ze aan. Ze begon zich crimineel te voelen.
‘Hij merkt het zelf niet meer,’ vond de arts.
‘Waarom is hij dan zo onrustig?’
‘We zullen de medicatie opvoeren,’ herhaalde de arts ongeduldig. Hij begon te schrijven.
‘Dan wordt hij alleen maar suffer,’ probeerde ze nog.
De dokter zuchtte. ‘Ik zal vragen of de begeleidsters vaker met uw man door het park rijden. Dan heeft hij meer afleiding.’ Het is een industrie, dacht Betty. Een industrie die vindt dat we moeten leven omdat we leven.
Toen ze terugkwam in de grote zaal, zat Max met een schort om te schilderen. Naast hem zat mevrouw Vos geconcentreerd te kreunen. Betty omhelsde Max en veegde een streep verf van zijn wang.
‘Ja, ja, ja, ja,’ riep mevrouw Vos.
‘Dat mens is niet goed bij haar hoofd,’ gromde Max.
De creatief therapeute kwam opgetogen op Betty toe. ‘Uw man is fijn bezig. Kijk eens.’
Met zwarte verf had Max lijnen getrokken, Betty herkende er niets in.
‘Volgens mij is het een boot,’ zei de creatief therapeute.
Opeens zag Betty dat ze gelijk had.
Thuis luisterde ze naar het weerbericht, daarna nam ze haar besluit. Ze pakte een weekendtas in, pleegde een telefoongesprek en riep Euripides. De hond kwam meteen, rook aan haar hand om te zien of ze eten voor hem had. ‘We gaan het baasje halen,’ zei ze. Euripides sprong tegen haar op. Betty liep nog een keer door het huis en sloot het zorgvuldig af. ‘Het is maar goed dat we geen kinderen hebben,’ zei ze tegen de tekkel. Ze opende de auto en beval Euripides op zijn geruite deken achterin te gaan liggen. Maar hij bleef rechtop zitten en keek de hele weg met haar mee.
Samen reden ze naar het verpleeghuis. Betty nam de route voor de laatste maal in zich op. De basisschool met de papieren vlinders achter de ramen, de voordeelsupermarkt, de sportvelden en de wegwijzers naar het crematorium, zonder erbij na te denken waren ze deel van haar bestaan geworden. Ze was er niet aan gehecht geraakt.
‘Wachten,’ zei ze tegen de hond nadat ze de auto had geparkeerd op het terrein van het tehuis. Ze liep het pad op, ze zag nu pas hoe kunstig de bestrating was gelegd met beige cirkels die elkaar doorsneden. Van de zenuwen kon ze niet op de toegangscode komen. Nadat ze het twee keer fout had gedaan, lukte het haar toch om de schuifdeur te openen.
Achter de receptie zat weer een andere uitzendkracht, hij groette vriendelijk. Max zat in zijn rolstoel in de gang tussen twee mannen in kamerjas, alsof ze tijdelijk waren opgeslagen.
‘Wij gaan op reis,’ fluisterde ze tegen Max, uit zijn mond liep kwijl. Ze duwde zijn rolstoel voor zich uit.
‘Ik ga even met mijn man wandelen,’ riep ze in het voorbijgaan tegen een verpleegster, die terugwuifde. Ze duwde hem door een nooddeur naar buiten. ‘Geen uitgang’ stond er boven.
‘Wat?’ vroeg Max en hief zijn hand. Betty pakte hem vast en zei: ‘We gaan op reis.’ Ze zocht in haar jas naar een zakdoek en veegde zijn mond af.
‘Betty,’ riep Max enthousiast toen hij Euripides in de auto zag. Met stramme hand probeerde hij het dier te aaien. De hond snuffelde nadenkend aan hem. Betty zette haar zonnebril op. Het licht was fel, er zat water in de lucht. Ze reed naar de snelweg. Van te voren had ze alle steden en afslagen met grote letters op een papier geschreven en dat op het dashboard geplakt. Max zat naast haar en staarde voor zich uit. Bij het schakelen raakten haar knokkels af en toe zijn vermagerde been naast de versnellingspook.
Halverwege de reis rook Betty dat hij een schone luier moest. Ze nam hem mee naar het invalidentoilet van een tankstation. Daar wist ze hem zover te krijgen dat hij zich vasthield aan de wastafel terwijl ze zijn broek afstroopte. De luier had gelekt. Zijn bovenbenen en de binnenkant van zijn broek waren besmeurd met diarree. Met wc-papier probeerde ze hem schoon te vegen. Max ging met zijn sokken in poep op de tegelvloer staan, zijn overhemd kleefde aan zijn billen. Terwijl ze hem andere kleren probeerde aan te trekken, tilde Max steeds zijn verkeerde been op. Toen hij eindelijk weer in zijn rolstoel zat, maakte ze de vloer schoon en propte alle vuile spullen in de afvalbak.
Ze moest doorrijden om op tijd te zijn. De badplaats zag er in het naseizoen verlopen uit. Betty parkeerde op de kade. ‘Ik ben zo terug,’ zei ze tegen Max. Voor de zekerheid draaide ze zijn portier op slot. Het kantoor van de rederij was nog net open. Een man met een knoestige neus en een huid in de kleur van stopverf kwam naar de balie.
'Wij hebben een boot gehuurd,’ zei Betty.
‘Het weer gaat omslaan,’ zei de man.
‘We willen de boot alvast bekijken,’ antwoordde Betty. De man haalde zijn schouders op en gaf haar de sleutels.
Aan het einde van de pier lag de Harder III op hen te wachten. Een kleine zeilboot met een buitenboordmotor. Moeizaam hees Betty Max naar binnen. Ze installeerde hem op de bedbank in de kajuit. Zonder verwondering bleef hij zitten. Euripides helde over naar het water, zijn pootjes op de rand van de steiger, maar hij durfde niet te springen. Betty aarzelde opeens. ‘Wil jij echt mee, jongen?’ Hij kwispelde, ze nam hem in haar armen en hield zijn snuit tegen haar wang. Betty wist niet hoe ze het zeil moest hijsen, maar na enig prutsen slaagde ze erin de motor te starten. Langzaam voeren ze weg. Euripides was naast haar op de bank geklommen. Zijn oren wuifden in de wind. De verhuurder rende de steiger op en zwaaide naar hen met heftige gebaren. Hij zette zijn handen aan zijn lippen en schreeuwde. Maar Betty hoorde niets, wilde niets horen. Zodra ze de haven uit waren, viel de wind fel op hen aan. Ze stuurde recht van de kust af. Golven braken op de voorplecht, de boot danste, kapseisde bijna, door een gordijn van schuim zag ze in de verte een groot zeeschip. Aan de kou die door de bodem van de boot trok, voelde ze de diepte van de zee onder hen. Water sloeg over de rand. Euripides kroop bij Max in de kajuit. Betty werd drijfnat, maar ze bleef van de kust af sturen. De golven werden hoger, de mast kraakte. De wind was overal, de hond jankte.
Toen ze geen land meer zag, ging ze naar Max. Hij was van de bank gevallen. Ze hees hem overeind en ging tegen hem aan zitten. Terwijl buiten de golven oprukten, legde Betty haar hoofd tegen het zijne en streelde zijn haar, zijn wangen. Ze pakte zijn gezicht met twee handen vast en keek hem aan. ‘We varen naar Ithaka,’ riep ze boven het gebulder van het water uit. Hij glimlachte tevreden. Zo kende ze hem weer.
Mirjam Janssen
Mirjam Janssen
Tekst en Onderzoek