Op dagen dat ik in de hemel geloof, stel ik mij voor dat onze oude kater Harrie bepaalt of ik binnenmag. Ik vraag me af of hij me alle geweigerde hapjes zal aanrekenen of me beoordeelt op de keren dat ik bereid was een rubberen balletje weg te gooien.
Als hij me doorlaat, weet ik hoe het paradijs achter hem eruit ziet. Maar ik weet niet waar het tegenwoordig ligt. Vroeger lag het in Brabant. We reden er elk jaar heen en toch reden we altijd verkeerd. Af en toe zette mijn vader de auto langs de kant om met mijn moeder op de kaart te kijken en vervolgens vloekend te keren. Ondertussen likte Max aan het raam tot schuimende vlokken speeksel rondspatten, plakte de skai bekleding van de Peugeot 204 aan mijn benen, wilde mijn broertje steeds op mijn helft van de bank zitten en probeerde mijn moeder, in haar bewegingen belemmerd door de pan erwtensoep aan haar voeten, vergeefs ons te laten stoppen met vechten.
Tot we bij een lange, rechte weg kwamen. Zodra mijn vader die inreed, had zelfs Max door dat we er bijna waren. Ze stopte met likken, begon schel te keffen en te springen, waardoor mijn broertje en ik tegen elkaar aanvielen. Opeens mochten we elkaar weer. De weg voerde langs korenvelden met klaprozen, een bos dat terugweek voor een weiland met koeien en een boerderij waar we ooit een echte stier hadden gezien. Aan de ring door zijn neus zat een kort touw dat was vastgemaakt aan de muur van de stal. Hij loeide en stampte, maar bleef op zijn plaats staan, vernederd dat zijn lijf, gebouwd om te verwoesten en te paren, in toom werd gehouden door een simpele truc. Van plan verschrikkelijk wraak te nemen, keek hij ons aan met een blik die niet paste bij mijn stadse verwachtingen van lieve boerderijdieren.
Achter een bomenrij zagen we dat jaar voor het eerst enkele grote caravans staan. Mijn ouders mopperden erover, maar mijn broertje en ik keken al uit naar het onverharde pad dat we nu in moesten. Max jammerde van opwinding. Het weggetje liep langs dichte braamstruiken. Nog een paar warme dagen en de eerste vruchten zouden rijp zijn. We haalden onze armen altijd open als we de dikste bramen probeerden te pakken, die zaten steevast bovenin of diep in de struiken. Je kon ze een voor een controleren op wormpjes, maar je kon ze ook meteen in je mond steken. Die wormpjes proefde je toch niet.
Aan het eind van het pad stuitten we op een zwart hek met een hangslot. Ik mocht het openmaken. Toen ik de beide delen van het hek uit elkaar duwde, voelde ik dat ook dit jaar de mollen hard hadden doorgewerkt. Ik zakte een paar keer tot mijn enkels weg in mulle aarde. Terwijl mijn vader de auto voorzichtig verder het pad op stuurde, rende ik vooruit door een tunnel van groen en kamperfoelie.
Vanaf de weg vermoedde niemand wat hier lag: Vlinderbeek, een veld midden in het bos aan de Keersop, een zijtak van de Dommel. Mijn grootouders hadden de grond in de jaren vijftig gekocht om er te kamperen met hun zes kinderen. Na de dood van opa en oma bleven de kinderen er met hun eigen gezinnen komen. Ze gebruikten zelfs de oude vouwwagen nog die met een systeem van ingenieus gemerkte stokken opgezet moest worden. Om iedere stok zaten rode of gele of een combinatie van rood-gele bandjes.
Het gras stond zeker zestig centimeter hoog. Er groeiden bloemen en pas ontkiemde bomen tussen. Mijn broertje en ik baanden paden en een open plek in het gras door hard rond te rennen. Toen mijn ouders ruzie kregen bij het opzetten van de vouwwagen, ging ik het bos in. Op een uitstulping van de oever vlak naast de beek stond mijn lievelingsboom. Als ik daar tegenaan ging zitten, kon ik het water naar beide kanten zeker dertig meter overzien. Er kwamen nooit boten voorbij, wel veel vogels en libellen.
’s Nachts hoorde je bosgeluiden, een uil, het gekrijs van een klein dier dat gevangen werd, soms heel in de verte het geknal van een stroper. De enige die onze rust verstoorde, was de waterrat. Als wij sliepen, drong hij de voortent binnen op zoek naar eten. Overdag zat hij vaak op de tegenoverliggende oever op gras te knabbelen of hij zwom onder water tegen de stroom in.
Die ochtend ontbeten we met havermoutpap terwijl op de transistorradio, voortdurend wegvallend, Mr. G. B. J. Hilterman de toestand in de wereld besprak. Ik vond het een hele geruststelling dat er iemand was die wist hoe het verder moest tussen de Amerikanen en de Russen. Terwijl mijn ouders afwasten, speelden mijn broertje en ik in de beek. In het water groeiden planten die we losrukten omdat we ze griezelig vonden. Ze streelden langs je benen en pakten je misschien wel vast. Er onder zat zachte, zwarte blubber die vloeibaar werd onder je tenen en vies, maar toch interessant, rook.
Daarna gingen we wandelen. We hadden een natuurgids meegenomen om de vogels die we onderweg zagen te determineren. Mijn broertje had zijn verrekijker om, Max rende voor ons uit en om ons heen. Ik stelde me voor dat we honderd jaar geleden leefden en dat ik een boerendochter was. Op de terugweg kwamen we langs de merkwaardige caravans. Er zaten mensen naast te roken. Ze leken mij heel arm. We hadden geleerd dat je altijd extra aardig moest zijn tegen arme mensen. Arme mensen waren een beetje zielig en een beetje dom, maar dat konden ze niet helpen. Dat was de schuld van de maatschappij.
Ze hadden een hond die eruit zag als een everzwijn. Max rende erop af. Thuis kon Max honden aan die twee keer zo groot waren. Ze won het altijd op felheid. Maar toen ze dichterbij kwam, begon ze te aarzelen.
‘Vorige week hedde die er nog een te groaze genome,’ zei een man met tanden als maïskorrels. ‘De darmen hingen eruit.’
‘Max, kom terug,’ riep mijn vader. Max luisterde meteen. Een graatmagere vrouw met haar dat op de kruin doorschijnend dun was, pakte het zwijn bij zijn halsband.
‘Toeristen,’ zei de man en keek naar mijn moeder. Ze had veldbloemen geplukt voor in een plastic beker op de formica klaptafel.
‘We kamperen hier,’ zei mijn vader.
‘Op dat stukske grond, ja, dah witten we.’
Nu we dichtbij waren, zagen we de kapotte auto’s achter de caravans.
‘Dit is een natuurgebied,’ zei mijn vader en wees naar de autosloperij.
‘Hedde doar last van?’ zei de man opeens fel.
‘Dat mag hier niet,’ antwoordde mijn vader.
‘De dieren hebben last van de vervuiling,’ hielp ik hem.
‘Ge zijt nie van hier,’ zei de man en kwam dichterbij. Zijn vrouw wenkte twee mannen die verderop aan een auto sleutelden.
‘Ge woont hier nie, ge het hier geen last van,’ herhaalde de man.
‘U heeft hier vast geen vergunning voor,’ hield mijn vader vol, terwijl mijn moeder hem aanstootte.
‘Kom, we gaan weer,’ zei ze en duwde mijn broertje en mij verder. Uiteindelijk kwam mijn vader ook mee. Toen ik omkeek, zag ik de bewoners van het kamp ons verontwaardigd nawijzen.
Vrienden van mijn ouders kwamen op bezoek. Terwijl mijn broertje en ik in de beek speelden met een oude kano, hakten de mannen een pad in het kreupelhout. Van de gekapte bomen bouwden ze een brug over de beek. Ze lachten dat ze net bouwvakkers waren en noemden elkaar Sjonnie en Johan. De vrouwen zaten naakt in de zon. Een vriendin, die we tante noemden, droeg alleen haar bh. Urenlang zat zij zo te breien.
Van het hout dat over was van het uitgehakte pad, maakten we ’s avonds een vuur. We roosterden vlees en poften aardappels. Max ging er vandoor met een complete kip. Hoewel zij die steeds moest laten vallen omdat zij haar bek brandde, wist zij de kip toch naar een afgelegen hoek te slepen. Niemand durfde hem af te pakken, Max kon heel gemeen bijten. Zij had mensenkennis, zei mijn vader altijd.
Die nacht stortte de brug al in. We begrepen niet hoe dat kon. De constructie was stevig, het leek wel of het touw was doorgesneden.
Op Vlinderbeek was geen eten en ook geen drinken. Een paar keer per week gingen we met jerrycans naar mevrouw Verhoeven in het dorp om water te halen. Ze was de weduwe van een molenaar en woonde alleen in een donkere boerderij waar het naar schimmel en oude hond rook. Ze had geen kinderen, maar wel een heleboel katten. Terwijl mijn ouders met haar koffie dronken, keken mijn broertje en ik rond.
Er waren lapjeskatten, zwarte katten, rode katers, streepjeskatten, katten met pluimpjes op de oren, katten met zweren. Al praatten we nog zo aardig tegen hen, ze bleven ons wantrouwend en blazend van onder met tientallen jaren oud stof overdekte landbouwwerktuigen aanstaren. Drie jongen reageerden geïnteresseerd toen ik met een lange dunne stok over de grond kraste. Hun kopjes stonden nog wankel op hun nek, bij iedere onverwachte beweging met de stok ging een schok van opwinding door hen heen. Toch mochten ze van hun moeder niet met ons spelen. Daarom gingen we naar de sluis die de man van mevrouw Verhoeven vroeger had bediend: twee houten deuren in het water. Ook nu zette iemand hem nog wel eens open. Het waterpeil in de beek steeg dan snel en alle mogelijke rommel spoelde langs onze wei. Soms voeren er ratten mee op stukken zwerfhout, echte vieze, niet zoals die aardige die tegenover ons woonde. Van de sluis ging een gevaar uit dat we niet konden benoemen. We hadden hem graag zelf opengedraaid.
Van mevrouw Verhoeven kregen we ieder een emmer. Ze liet ons nooit gaan voor we fruit uit haar moestuin hadden meegenomen. Hoewel ze de tuin al jaren niet meer onderhield, leverden de fruitbomen en de bessenstruiken nog altijd een oogst op die ze alleen niet opkreeg. Dus plukten we net zolang rode bessen, frambozen en kruisbessen tot zij vond dat we genoeg hadden.
Terug op Vlinderbeek stond de voortent open. De transistorradio was verdwenen. Mijn ouders reageerden verontwaardigd: het waren vast wandelaars op doortocht geweest. Het schokte ons vertrouwen dat andere natuurvrienden ons hadden beroofd. Maar we maakten er geen werk van. In het dorp vlakbij was niet eens politie en het was toch een rotding geweest. Dus deden mijn broertje en ik extra ons best om enthousiast te badmintonnen, speelden we zeerover in de beek en ritsten we de rode bessen voor het toetje af met stompe, plastic kampeervorken. Mijn vader hakte een trap in het zand van de oever en Max ging op muizenjacht.
Een paar avonden later stond mijn moeder zich te wassen in de beek. Ze had zich net ingezeept toen uit het bos vlakbij een schot klonk. Ze klom zo snel mogelijk op de kant. Voor ze een handdoek kon omslaan, stapte de man van de caravans uit de struiken, gevolgd door een andere man en het zwijn.
‘Goeienoavond,’ zei hij.
Mijn vader ging voor mijn moeder staan.
'Ik zag hier ’n konijntje,’ vervolgde de man.
‘Er is hier geen konijn,’ antwoordde mijn vader met trillende stem.
‘Als ge d’r een ziet, dan moette het zeggen,’ zei de man en wees speels met zijn geweer naar mijn vader. ‘Ge kunt er een van me krijgen. Lekker voor te roosteren boven het vuur.’
Het zwijn snuffelde aan Max die ineengedoken piepte. Mijn broertje begon te huilen.
‘U mag geen dieren dood schieten,’ wilde ik roepen.
De andere man keek in de vouwwagen, opende een deur van de Peugeot, ging op de bestuurdersstoel zitten en haalde zijn schouders op.
‘Nee, hier zijn geen konijntjes,’ concludeerde zijn maat met het geweer.
‘Ik zee het nog tegen oe,’ antwoordde de ander en sloeg even op de claxon.
‘Ge wit nooit nie. Een goej konijn, da’s lekker wah?’ zei de man tegen mijn vader en ging in een van de kampeerstoelen zitten. ‘Geeft ge uw buren geen pilske?’
Mijn vader gaf hem een blikje.
‘Waar komde vandoan?’ vroeg de man, terwijl hij het zwijn gebaarde te gaan liggen.
‘Uit Nijmegen,’ zei mijn moeder die zich in een badhanddoek had gehuld.
‘Me zuster is doar in behandeling geweest,’ zei de man. Hij dronk het blikje in een teug leeg, boerde diep en zette het op de Peugeot. Hij nam een paar passen afstand en deed alsof hij het van het dak wilde schieten. Ook ik begon nu te huilen. De man kwam op me af en veegde de tranen van mijn wangen. Hij rook naar oude koekjes en vet haar. Mijn ouders keken roerloos toe.
‘Ge begint al een hele jonge dame te worden,’ zei hij.
‘Nee,’ riep mijn moeder, mijn vader pakte haar bij de arm.
‘Zeg, hedde al een vriendje?’ vroeg hij terwijl hij over mijn haar streek.
‘Nee.’ Vanuit mijn buik steeg kou op naar mijn rug en mijn wangen.
‘Ech nie? Zo’n leuk meske. Hank hier wil best jouw vriendje zijn. Wah Hank?’
‘Joazeker,’ antwoordde Henk terwijl hij probeerde onze gaslamp aan te steken. In plaats daarvan stak hij alleen het kousje in brand.
‘Merrege mag ge met Hank naar de kermis in Valkenswaard. Leuk nie?’
Ik knikte.
‘Lekker met Hank in het reuzenrad en de rups,’ ging hij verder.
Ik antwoordde zonder geluid te maken. Opeens draaide hij zich om.
‘Volgens mij zie ik doar toch ’n konijntje.’ Hij streelde me nog een keer over mijn hoofd en riep: ‘Tot merrege. Houdoe!’ En hij verdween in het kreupelhout, gevolgd door de andere man en het zwijn.
De vleermuizen waren al op jacht toen mijn ouders onze laatste spullen in de vouwwagen propten. Mijn broertje was in de auto in slaap gevallen, zijn grauwe knuffellap tegen zijn gezicht gedrukt. Ik liet een jerrycan water leeglopen in de hoek van de wei. Uit het bos klonk opeens het geluid van krakende takken alsof ons iets groots naderde. De hond sloeg aan. Met de haren overeind keek ze naar een punt achter mij.
‘Papa,’ gilde ik. Hij kwam meteen, de krik in zijn hand. Maar er gebeurde niets. Misschien was het de wind.
Mijn ouders klapten de deksel van de vouwwagen dicht. Langzaam reden we het veld af. Ik mocht samen met mijn moeder het hek op slot doen met de grote zwarte sleutel waarvan je handen naar roest gingen stinken. Nog een keer voelde ik de ingestorte molshopen onder mijn voeten, nog een keer rook ik de kamperfoelie.
Ik stapte in en sloeg een arm om de hond. Vlug likte ze mijn gezicht, daarna keek ze geconcentreerd voor zich uit, alsof ze mijn vader wilde helpen met sturen. De silhouetten van de braamstruiken waren bijna niet meer te onderscheiden. In de stralen van de koplampen zagen we een wezel wegschieten. De auto deinde het zandpad af. Eenmaal op het asfalt van de lange, rechte weg gaf mijn vader extra gas. We passeerden de grote caravans. De bewoners zaten rond een kampvuur dat hun gezichten van onder af verlichtte. Ze hadden bezoek. Zo te zien vermaakten ze zich uitstekend.
Mirjam Janssen
Tekst en Onderzoek