In de gang rook het naar gebraden vlees, zelf getrokken soep en warm brood. Ik hoopte dat oma net als vorig jaar bitterkoekjespudding had gemaakt gegarneerd met hulst uit de tuin. Je kon de huiskamer alleen nog in als je je langs het bankstel met de zelfgeborduurde sierkussens wurmde. De eettafel was uitgeklapt en er waren extra keukenstoelen aangeschoven. Naast de zondagse borden stonden kaarsjes in stervormige houders. Mijn broertje vroeg meteen of hij ze mocht aansteken als het zover was.
Oma had haar enige mooie jurk aan en haar schort nog om. Als altijd verborg ze haar handen in de zakken zodra ze ons zag. Een gewoontegebaar uit schaamte. De huid van haar handen was gelooid en gebarsten, haar doorgroefde nagels werden nooit meer helemaal schoon. Het resultaat van tientallen jaren schrobben, bloemstukken maken en voor anderen zorgen.
‘Praat doch even miet pa,’ zei ze terwijl ze ons begroette en naar opa wees, die dof op zijn stoel bij het raam zat. Ze draaide het dressoir van het slot en pakte een fles jenever.
‘Wat ben je toch goed voor mij,’ riep opa. Hij schonk zichzelf en mijn vader meteen in.
‘Nicht zu veel,’ zei oma zacht tegen hem. Lang geleden was ze als Duits dienstmeisje naar ons land gekomen. Ze was haar moedertaal vergeten, maar had nooit echt Nederlands geleerd.
In een teug dronk opa zijn borrel op en hij nam gauw een nieuwe. Mijn broertje en ik klommen bij hem op schoot. Hij liet ons paardje rijden op zijn knieën. Af en toe deed hij alsof hij ons liet vallen en dan gilden we. Van hem mochten we de kerstkransjes uit de boom eten: ze waren van chocolade met witte balletjes die tussen je tanden kraakten. We voerden ze ook aan de hond, een gladharige tekkel die in de loop der jaren het model van een schildpad had aangenomen.
Ondertussen kwamen meer familieleden binnen. De ooms gingen verder met de jenever. Ze hadden hun nette pak aan, het haar met water achterover gekamd. Wijdbeens zaten ze te roken, hun gezichten grauw van spanning en vermoeidheid. Ze hadden een eigen zaak en moesten met kerst hun slag slaan. De een had tot diep in de nacht ossenhaas staan snijden. De ander had zijn vingers opengehaald bij het maken van kerststukken.
Oma kwam erbij om over de omzet te praten en te roddelen over andere winkeliers. Soms liep ze even terug naar de keuken om mijn moeder en tantes aanwijzingen te geven. ‘Die slagroom soll viel dikker geklopft worden, so ist das gleich mielch!’ Ze had altijd kritiek op haar schoondochters en werd op dat punt nooit tegengesproken. Haar zoons grapten steevast dat ze het nergens zo goed hadden gehad als bij hun moeder. Zo nu en dan zetten de vrouwen haastig iets op tafel. De blauwe oogschaduw en de roze lippenstift waarmee ze zich hadden opgedoft begonnen al te vervagen.
Nadat ze de fouten van mijn moeder en tantes had verbeterd, riep oma dat we konden beginnen. Het kostte een heleboel lucifers voor mijn broertje alle kaarsen aan had, maar toen mochten we eindelijk aan tafel. Opa zette zijn borrel naast zijn wijnglas.
Zich verkneukelend kneep oma iets te hard in mijn arm. Als ze je knuffelde deed dat altijd een beetje pijn. Met haar sterke werkhanden smoorde ze je bijna tegen haar korset dat zeker 100 kilo op zijn plaats hield. Haar liefde toonde ze beter in haar kookkunst. Dit stuk weghalen: Sinaasappelpudding, aardappelsalade, kroketten gevuld met echt rundvlees, ingelegde peertjes, Ze kon ieder gerecht laten smaken zoals het was bedoeld. Tijdens familiediners at ze weinig, ze keek liever met haar hand onder de kin hoe wij alles naar binnen werkten.
Op deze kerstdag stonden op tafel alvast de preiselbeeren, zure rode bessen in een zoete saus, die we bij het hoofdgerecht zouden eten. Eerst schepte ze ons groentesoep op met rulle gehaktballen en vermicellislierten die zo groot waren dat je ze over je oren kon hangen. Dat mocht niet van mijn moeder, maar opa deed het ook. Nagrinnikend stond hij op om naar de wc te gaan. Hij wankelde toen hij wegliep.
Omdat opa veel tijd nodig had, staken de mannen een sigaret op en praatten verder over hun mannenzaken. Mijn broertje en ik deden wie zijn hand het langst boven de kaarsen kon houden. De vrouwen hielpen oma de afwas van de eerste gang verzamelen. Daarna kwamen zij er weer bij zitten. Het hoogtepunt van het diner, het opdienen van de kalkoen, bereidde oma altijd alleen voor. Als ieder jaar kwam zij binnen met een grote porseleinen schaal in haar armen. Ook dit jaar lag er een glanzend gevaarte op, dat ze regelmatig had bedropen en niet te heet gebraden om het vlees sappig te houden. De kalkoen was omgeven door gekookte spruitjes en in toefjes gespoten aardappelpuree. Toch viel iedereen stil. Een poot was ruw afgerukt, het draderige vlees op de plaats van de amputatie stak verward alle kanten uit. Een oom vloekte binnensmonds. Oma zette de schaal op tafel en begon zonder een woord te snijden. De stoel tegenover haar bleef leeg. Een tante mompelde iets over het dressoir dat beter op slot kon blijven. Ze werd bestraffend aangekeken: aangetrouwde familieleden hoorden zich niet met dit soort zaken te bemoeien, ook niet als ze gelijk hadden.
Ik liet een spruit van mijn bord op de grond rollen en kroop er achteraan tot vlakbij de deur. Door een kier zag ik opa op de trap zitten. Hij leunde met open mond achterover op de loper met de koperen roeden. Hij was in slaap gevallen met de kalkoenpoot in zijn hand. De hond likte onderzoekend aan het vlees, zette er voorzichtig zijn tanden in en sleepte het toen met zich mee. De poot liet een vettig spoor achter op de pas geboende tegelvloer.